Klachten over de overheid zijn van alle tijden. Lang voor het ontstaan van de Gemeentelijke Ombudsman klom de Amsterdamse burger al in de pen om uiting te geven aan zijn ongenoegen. Van een deugdelijke klachtafhandeling was in die tijd echter nog geen sprake. Boze brieven van burgers werden op de leestafel van de gemeenteraad gelegd of naar eigen goeddunken van de ontvanger beantwoord. Met de benoeming van Nora Salomons op 3 februari 1987, kwam er aan deze vrijblijvendheid een einde. Zij heeft zich er voor beijverd en als een leeuw)in) gevochten om een professioneel instituut in te richten dat de klachtbehandeling van de gemeente onder de loep nam.
In de vijfentwintig jaar dat de Gemeentelijke Ombudsman in Amsterdam bestaat, is er veel veranderd. Het bureau is door de jaren heen steeds verder geprofessionaliseerd en aanzienlijk uitgebreid tot 25 mensen door de gestage toename van het aantal klachten. (Toen ik kwam in 2005: 1090 en in 2011 1850). Momenteel maken behalve Amsterdam ook 6 andere gemeenten en 2 regionale overheden gebruik van de diensten van mijn bureau.
Na vijfentwintig jaar is de Gemeentelijke Ombudsman nog onverminderd noodzakelijk en dat zal ook zo blijven. Juist in deze tijd van crisis en bezuinigingen, waarin de toegang tot de rechtspraak door stijgende griffiekosten verregaand dreigt te worden beperkt en waarin steeds meer overheidstaken naar de gemeente worden overgeheveld, vervult een lokale ombudsman een belangrijke taak bij de rechtsbescherming van de burger. Die burger heeft behoefte aan een laagdrempelige klachtenvoorziening en medewerkers die bekend zijn met de plaatselijke problematiek. Een lokale ombudsman aan wie hij zijn klachten persoonlijk kan voorleggen, voorziet in deze behoefte.
Zo’n ombudsman biedt niet alleen voordelen aan de burger maar kan een belangrijke bijdrage aan de verbetering van de gemeentelijke dienstverlening.